Ruilhandel en geld

TALENT DEEL A
Thema 3 Als ik heel rijk was

WO OERTIJD
Les  4: Ruilen?
lezen, luisteren, spreken   Onderwerp: vragen beantwoorden over een informatieve tekst
Da’s geen geld!,  Inge Bergh (Talentbib 3)

Klik hier

woordenschat: het werktuig – kostbaar – zeldzaam

 

 

 

De oertijd
Winkels bestonden niet.
Het enige wat mensen nodig hadden: eten, kleren en werktuigen.
Alles vonden ze in de natuur.
Ze gingen jagen en plukken.
Dierenhuiden gebruikten ze om kleren te maken.
Van stenen en beenderen maakten ze werktuigen.
Mannen, vrouwen en kinderen leefden samen in stammen.
Mannen en jongens gingen jagen.
Vrouwen en meisjes maakten van alles met de vangst.
Het leven was eenvoudig, maar erg hard.
De volksstammen trokken ook rond.
Als het eten op was, trok men verder naar andere plaatsen.
Als ze een andere stam tegenkwamen, dan werd er gevochten.
Dat deden ze  om het jachtgebied te bekomen.
Geld was er nog niet.
Je moest zelf voor alles zorgen.

vlees – kleding – werktuigen – groenten en fruit

 

 

 

Nederzettingentijd – ruilhandel
De mensen gingen in dorpen wonen en ook meer samenwerken.
Ze hadden nog geen geld, maar ze ruilden wel dingen.
In die tijd waren bloembollen van tulpen heel veel waard …

Ruilen was niet altijd gemakkelijk. Hoe bepaalde je wat iets waard was?
Een koe bijvoorbeeld.
Die kan tijdens haar leven nog vele jaren melk geven.
En daarna nog heel veel vlees.
Ruil je jouw koe dan voor enkele zakken bloem?
Daar kun je natuurlijk veel broden en taarten mee bakken.
Na een tijdje is het op.
Dan heb je geen bloem.
Jouw koe geeft nog steeds melk.
Of een mooie pot ruilen en je had honger.
De bakker had geen pot nodig.
Dus kreeg je geen brood.
Ruilen was dus niet zo gemakkelijk.

Geld
Betalen deden de mensen eerst met schelpen.
Al snel gingen ze over op metaal-geld.
Metaal is sterker dan een schelp: duurzaam.
Je kan metaal ook smelten en omvormen tot muntjes of klompjes.
Zo kan je betalen.
Van metaal is er veel. Dus is het niet veel waard.
Wanneer dingen zeldzaam zijn en veel mensen ze willen bezitten, dan worden dingen kostbaar.
Denk maar aan de bloembollen.
Edelmetalen (zilver en goud) zijn zeldzaam, dus: kostbaar en waardevol.
Daarom smolt men zilver en goud om tot muntjes.
De waarde van het muntje werd berekend volgens het gewicht van het muntje.
De prijs van het goud of zilver op dat moment.
Op oude schilderijen zie je mensen vaak geld wegen voor ze iets kopen.

 

Geld in ieder land
Niet zo lang geleden betaalden alle landen in Europa met hun eigen munt.
Telkens je naar een buurland reisde, moest je geld omwisselen in de bank.
Dat was lastig.
In België betaalde je met de Belgische frank.
In Nederland winkelen kon allen met Nederlandse guldens.
Bezocht je een kerstmarkt in Duitsland?
Dan moest je Duitse Marken hebben.
Voor elk land had je een andere munt.
In 1992 koos men voor één Europese munt.
Die zou ‘ecu’  heten.
Maar de Duitsers spreken dat uit als ‘ekoe’.
Dat vonden ze maar een belachelijke naam.
Het werd de ‘euro’.
Niet alle landen in de wereld hebben dezelfde munten.
In Amerika betaal je bijvoorbeeld met Amerikaanse dollars en in Engeland met de pond.

Over centen gesproken

paperclip – antieke deurknop – fornuis – generator – reclamebord – sneeuwscooter