Miljoenen jaren leefden er mensen op aarde. Daarvoor leefden er dinosaurussen. Ze verdwenen wellicht omdat het te koud werd. Ze konden zich niet aanpassen. Toen kwamen er de voorouders van onze apen. Stap per stap gingen sommige van die voorouders op hun achterpoten lopen. De mensapen leerden dingen met hun handen doen. Hun hersenen werden groter. De oermens.
1.De apen uit het zuiden
mensachtige apen en voorgangers van de eerste mens
2.De handige mensen
werktuigen maken en gebruiken
eerste echte mensen
3.De rechtop lopende mensen
uitvinding van het vuur
praten
4.Slimme mensen Neanderthalers
werktuigen in steen en been
5.Moderne mens Cro-Magnon
dieren in grotten en op rotsen schilderen grotten van Lascaux
maart 2017
Er worden wel vaker geldinzamelacties gedaan voor allerlei projecten.
Deze keer gaat het voor de nieuwe dino die men wil tentoonstellen in Brussel.
Op donderdag 1 oktober gaan we in de voormiddag naar “De Binnenkamer van Binta”.
Een zintuiglijke voorstelling vol muziek, humor en ontroerende verhalen over lief en leed en hoe je dat deelt als je je moeder mist
“Binta is een stoer en vindingrijk meisje van 9 jaar. Het is bezoekuur in het kindertehuis waar ze verblijft. Vol ongeduld kijkt ze uit naar de komst van haar mama. Terwijl ze wacht, neemt ze je mee in haar geheime binnenkamer, in het gezelschap van vriendje Yoeri. ”
3. Hoe voel je je in een groep met andere kinderen?
Hoe gedraag je je?
Is dat anders dan wanneer je alleen bent?
Of thuis bent?
goed – gewoon – een beetje anders
4. Ben jij graag in de buurt van veel mensen?
Of word je liefst alleen gelaten?
graag alleen (om na te denken, spelen, tekenen) – veel mensen (dan verveel ik me niet)
5. Is er iemand die je vertrouwt, behalve je ouders en/of broers en zussen?
God – planeten ? – mijn beste vriend(in) (liegt niet)
6. Wie kent jou echt heel goed?
mijn vriend(inn)en – ouders – broers en zussen – iemand die weet/ begrijpt wat je wilt vertellen
7.Wat zijn de fijne dingen die je thuis doet met mama?
Met papa?
Met broer en/of zus?
spelen – plezier maken – weetjes zoeken – gedachten lezen – boeken lezen – film kijken – samen eten – samen tv kijken
8. Als je kon kiezen, wie woonden er dan met jou in één huis?
En wie woonden daar heel dichtbij en zouden heel vaak langskomen?
Wat doen jullie samen in dat huis?
klas – feesten – spelen (om de beurt – samenspelen) – eten (pizza) – vriend(inn)en – tante (vaak) – familie
9.Welke zijn de momenten waarop je je ouders het hardst mist?
op school (camping – sleep in) – als ik aan hen denk – als ik wat droevig ben – als ik me verstop – als ik alleen ben
10.Waaraan denk je als je aan je mama denkt? En aan je papa?
moeder: lachen, spelen, tekenen, koken, taarten – vader: weetjes, werk, lang weg zijn, missen, films kijken, kattenbak schoonmaken, spelen, ijsjes, taarten, auto,
11. Wat doe je als je heimwee hebt?
op mijn bed zitten – een knuffel – wild worden – speel ik met telefoon, nintendo – huilen
12.Hoe troost je jezelf wanneer je verdrietig bent?
er niet meer over nadenken (reden) – spelen – boos zijn, even wenen, rustig worden – aan grappige dingen denken – door bij moeder te gaan – werken
“In de voorstelling heeft het hoofdpersonage Binta het over de geuren die haar aan thuis doen denken.
De geur van warme melk met vanille die ze van haar moeder krijgt voor het slapengaan.
De geur van de wierookstokjes die werden gebrand in de huiskamer om de boze geesten te verjagen
De naar oranjebloesem ruikende geur van de make up-stick die haar mama gebruikt… Luister hier naar het fragment: geuren
“Denk bijvoorbeeld aan de geuren thuis die je aangenaam vindt. Of aan een andere, sterke geur die je aan vakantie doen denken. Of aan de geur van je mama of papa.
Misschien is dat de geur van het wasgoed thuis? Of van koffie bij het ontbijt? Van de pannenkoeken op een winterse namiddag? Van de kerstboom? Of van de badolie? Of van de geur van je moeders haar? Of van je papa’s scheerzeep?”
“De sterke tekst van Hanneke Paauwe, de innemende vertolking van Demba, de live muziek van Sam Gysel, de kastjes en schuifjes die nieuwe verhalen introduceren: alles klopt aan deze mooie voorstelling over lief en leed, verdriet en veerkracht.” De Standaard
Na de voorstelling…
Elk bezoek (een voetbalmatch, een bioscoop-, museum- of ziekenhuisbezoek) kent zijn eigen spelregels. Zo ook in de theaterzaaal.
Brug naar andere leergebieden
Leer de leerlingen om ook in andere lessen stil te staan bij een moeilijk woord en bij manieren om de betekenis te vinden.
Laat de leerlingen in de les bewegingsopvoeding zichzelf in alfabetische volgorde plaatsen.
Hoe rangschik ik woorden alfabetisch?
Om woorden alfabetisch te ordenen, kijk je naar de eerste letter van het woord.
Bv. aap, beer, cavia, dromedaris …
Namen van personen worden meestal volgens de familienaam gerangschikt.
Bv. Adams, Bries, Caluwaert, Demir …
1.Enkel praten wanneer we echt iets aan elkaar moeten zeggen.
2.Steeds fluisteren.
3.Onze tekst luid genoeg.
4.We helpen elkaar in de poppenkast.
5.’Samen’ een mooie voorstelling maken.
6.We mogen interessante uitleg geven op en over elkaar of over onszelf.
7.Altijd afblijven van alle spulletjes: alles ligt immers klaar voor de voorstelling.
8.‘Na de voorstelling’ opnieuw klaar voor het begin van de volgende voorstelling.
9.Alleen de kinderen die meespelen mogen achter de schermen.
10.Niemand stoort de souffleur en licht- of geluidtechnieker.
11.Ieder kijkt na of zijn/ haar spulletjes klaar liggen voor de voorstelling.
12.Wanneer iemand een fout leest, wachten we even tot die de fout kan verbeteren.
13.We wachten wanneer het publiek reageert. (lachen, luisteren naar muziek)
14.We blijven van alle doeken af.
15.Als we niet moeten spelen, zetten we ons rustig op een stoel achteraan.
We volgen het verhaal goed mee en wachten tot wanneer we moeten opkomen met onze pop. 16.Spelen met de pop: tikje op het hoofd, wuiven naar de zaal, fier vooruit komen, vriendje schoudertikje geven, … 17.In geen geval andere kinderen (van het publiek) achter de schermen laten: gevaar om decor te beschadigen, draden op de grond, tekst en poppen in de war…
18.Meteen luisteren naar de regisseur.
19.Als je water drinkt, steeds veilig wegzetten van de elektriciteit.
20.Wachten op licht, voor je spreekt.
21.Geluidsplan kennen. Anders begin je te praten wanneer er geluid is.
22.Niet spelen met lichtspots.